Popcornpraat

| Dit artikel past in een opdracht voor studenten uit het derde jaar met als onderwerp beeldjournalistiek.

“Hier kunnen we nog eens goedendag zeggen aan elkaar en gezellig een praatje slaan, net zoals wanneer je elkaar tegenkomt in de supermarkt. De klanten voelen zich hier geen nummer. Ik denk dat dat een groot deel van de charme is.” Met zijn 120.000 bezoekers per jaar kan Cinema Focus in Geraardsbergen zich tot de kleinere cinema’s in Vlaanderen rekenen. Maar Tim De Vylder is er rotsvast van overtuigd dat hij zeker niet moet onderdoen voor de grotere complexen. Integendeel: “Vandaag zijn het net de grote cinema’s die veel klanten verliezen aan de kleintjes.” Collega’s in andere provinciebioscopen trekken dezelfde conclusie. Size doesn’t matter.

Mission Impossible

Zaterdagavond, 17 uur. Ik veeg mijn Adidas schoenen af aan de zwarte deurmat van de Cinema Focus in Geraardsbergen. Links en rechts van mij hangen posters van de films die nu spelen: The House With A Clock In His Walls, Johhny English Strikes Again, Will Tura Hoop Doet Leven, Niet Schieten en nog een paar andere. Ik klop aan op de donkerrode deur waar in het groot ‘Bureel Focus’ te lezen staat. Voor ik kan binnengaan tikt een man mij op de schouder. Wanneer ik me omdraai, zie ik zwart voor mijn ogen. Kort zwart haar, zwarte volle baard, grote zwarte bril en om het af te maken een zwarte T-shirt met links het woord focus in lichtelijk afgebrokkelde rode letters. Enkel de O van het woord is in het wit. Hij opent de deur en we stappen naar binnen. Bij het binnenkomen zie ik een poster hangen van Fall Out, de nieuwste Mission Impossible film. Hij ziet me kijken naar de poster en vraagt of ik fan ben. Ik moet bekennen dat Tom Cruise gene missen is. Hij lacht en vraagt of ik straks graag een poster van de film mee naar huis wil. Hij heeft er nog eentje liggen, waar Cruise in het groot op staat.

Zijn naam is Bram De Mooter. Hij werkt hier al zes jaar. Eerst als jobstudent, nu als vaste medewerker.
In totaal zijn hier drie vaste medewerkers: Tim De Vylder, Lionel Derweduwen en hijzelf. Zij drieën staan in voor de programmatie en projectie van de films. Enkele jobstudenten verzorgen de rest van de taken.

©Lisa De Schrijver – Volgens Bram De Mooter wordt het werk in de cinema soms onderschat.

“Ik werk hier zeer graag, maar mijn droomjob? Nee, dat nog net niet. Ik heb film en televisie gestudeerd en had liever zelf meegewerkt aan films. Toch kan ik hier mijn passie voor het grote scherm kwijt.” Achter Bram schijnen twee computerschermen. Op het linkse scherm staat de programmatie van de films open. Hier checkt Bram welke films nu spelen in welke zalen, hoelang de speeltijd nog is en wanneer er pauze komt. Het rechtse scherm toont de mails van dag.
“Er gebeurt wel meer achter de schermen dan de mensen denken. Nu het allemaal digitaal is gemaakt, is het wel al gemakkelijker. Vroeger, in de tijd van de pellicule, toen was het echt zwaar werk. Toen was het echt fysieke arbeid waarbij je minstens twee man nodig had om die filmrol te draaien. Vroeger was montage en projectie een echte job. Sinds het digitale tijdperk is cinema veel sneller en simpeler geworden.”

 

©Lisa De Schrijver – Zelf komt Bram altijd in deze cinema films bekijken. Behalve als hij iets wilt zien op IMAX, dan gaat hij naar Brussel.

Kwalitatief zijn de films hier hetzelfde als in de grote cinema’s zoals Kinepolis. Bram verzekert mij dat ze qua geluid en beeld zeker niet moeten onderdoen. Op vlak van aanbod kunnen ze sommige films niet aanbieden, omdat er hier maar vier zalen zijn. “De grote blockbusters kunnen we wel spelen, maar de kleinere films die spijtig genoeg niet.Maar of ze daardoor klanten verliezen? Hij is overtuigd van niet. Bram gelooft dat deze bioscoop iets biedt dat Kinepolis niet biedt: een familiale sfeer en een hechte band met de bezoekers. Dat de parking en het toiletbezoek gratis zijn, is natuurlijk ook mooi meegenomen.
De volgende dag keer ik terug naar de cinema om te praten met de leider van de zaak, Tim De Vylder. Hij werkt al 23 jaar in deze cinema. Het was ook hier dat hij zijn vrouw leerde kennen. Ze werkten hier samen als jobstudenten. Het bewijs dat een romance zich niet alleen op de schermen, maar ook achter de schermen kan afspelen.
Tijdens ons gesprek is al snel duidelijk dat hij een positief beeld heeft van het aantal bezoekers. Vroeger, in de tijd dat Kinepolis heilig was, zag hij zijn klanten wel verdwijnen omdat ze nieuwsgierig waren naar de grotere complexen. Toen zijn er wel een aantal kleinere cinema’s failliet gegaan. De cinema’s die overbleven hebben nu hun eigen cliënteel en hun plaats in de markt veroverd. Het zijn volgens hem nu zelf de grote cinema’s die op hun beurt veel klanten verliezen aan de kleintjes. “De mensen zijn die megacomplexen soms beu. Het is van alles te veel: auto’s, mensen, snoep, zalen … “

Ciaokes!

Dat er nog steeds veel bezoekers naar hier komen, daar heeft hij een simpele verklaring voor: “Wij staan dichter bij de mensen. Er is hier nog dat persoonlijk contact.” Het is waar dat als je hier naar de cinema komt, je overal nog medewerkers ziet staan. Zo staan er mensen aan de kassa, aan de bar, aan het snoepkotje en er zijn nog steeds mensen die je een goede film toewensen wanneer ze je ticketje scheuren. Geen computers of terminals waar je je tickets zelf moet afdrukken. “Hier kunnen we nog eens goedendag zeggen aan elkaar en gezellig een praatje slaan, net zoals wanneer je elkaar tegenkomt in de supermarkt. De klanten voelen zich hier geen nummer. Ik denk dat dat een groot deel van de charme is.” Plots horen we drie klopjes op de deur. Een jobstudente met blond krullend haar en pretoogjes komt binnengestapt.

“Tiiiiiim”
“Ja? Zeg het is Ulrike.”
“Mag ik naar huis gaan?” (lacht)
“Ja ze ga maar, tot straks dan?”
“Ja tot sebiet! Ciaokes!”

Als Ulrike vertrokken is kijkt Tim mij glunderend aan. Straks na het werk gaat hij samen met alle collega’s nog een stapje in de wereld zetten. Een goede band met zijn werknemers is voor hem zeer belangrijk. “Als studenten hier weg moeten, zie ik dat ze vaak in tranen vertrekken. Het klinkt misschien raar, maar dat is een leuk gevoel. Dat is het teken dat ze hier graag gewerkt hebben.” De groepssfeer is voor hem duidelijk belangrijk. Hij houdt daar veel rekening mee als hij een sollicitatiegesprek afneemt. Hij zoekt naar een duidelijke klik. “Als ze elkaar appreciëren, dan helpen ze elkaar ook gemakkelijker.”
Zal de kleine bioscoop in de toekomst kunnen blijven bestaan? Op die vraag krijg ik geen antwoord maar een wedervraag: “Zal de bioscoop wel blijven bestaan?” Tim is ervan overtuigd dat als de kleintjes verdwijnen, de grotere cinema’s ook zullen verdwijnen. “Het zal alles of niets zijn. Als het fout loopt is het voor ons allemaal.” Zo wordt er in Amerika bang uitgekeken naar het idee van Apple TV. De tijd tussen de release in de bioscoop en de release op dvd of pay-per-view proberen ze steeds korter te maken. Apple wil films een week of twee na de release in de cinema aanbieden aan per film. Dat lijkt duur, maar als je uitrekent dat je daar met een heel gezin naar kunt kijken, komt het al snel voordeliger uit dan wanneer dat gezin naar de bioscoop diezelfde film gaat bekijken.

De mensen zijn die megacomplexen soms beuTim De Vylder

Een openstaande garage, daar lijkt de ingang van de Cinema Central in Ninove op. Geen poster van een halfnaakte vrouw die aan de muur prijkt, maar posters van diverse films die verlicht worden achter glazen raampjes. De vloer is bedekt met bruine tegels die een zigzagpatroon vormen. Pal in het midden staat een plakkaat van Johnny English Strikes Again. Links in de ruimte: een verroeste grote kookpot met zand in om sigarettenpeuken op te vangen. Rechts een klein betalingsloket met het opschrift KAS. De verlichting geeft een gelige kleur aan de hele scène.

©Lisa De Schrijver – De inkomsthal van Cinema Central doet denken aan een openstaande garage.

Om binnen te gaan in de cinema, moet je eerst door de dubbele deur op het einde van de garagegang stappen. Eenmaal binnen waan je jezelf in een café. Zo staan er ronde houten tafeltjes, een televisiescherm en centraal een toog. Het is aan die toog dat ik Paul Raes zie staan. Hij is hier, samen met zijn broer en zus, de eigenaar. Het is dus een echte familiezaak. Altijd al geweest trouwens, want ondanks dat deze cinema al bijna honderd jaar bestaat, is hij maar in de handen van twee families geweest. Tot 1919 was de zaal van de familie Wauters, en sinds 1960 nam de familie Raes het over. Samenwerken met familie brengt nogal vaak ruzie met zich mee, maar daar hebben ze hier iets op gevonden: een beurtrol. Ieder staat één week in de zaak. Is hun week gedaan? Dan switchen ze. Zo staat er elke week iemand anders in de cinema.

Als je in een grote zaal zit met maar twee of drie mensen, dan is dat kil héPaul Raes

©Lisa De Schrijver – Geen automaat waar je je tickets kan kopen, wel een klassiek loket.

Er zijn hier twee zalen. Vroeger was er maar één, maar die hebben ze nu dus opgesplitst. “De cinemazaal boven op de eerste verdieping is eigenlijk het vroegere balkon van de zaal hier beneden. In de benedenzaal zijn er nu nog 98 plaatsen en boven 79. Daarvoor hadden we de benedenzaal al eens verkleind.” Hij wijst naar een paar rode tegels op de vloer die duidelijk anders zijn dan de rest. Tot daar liep de zaal vroeger. Waarom ze de ruimte hebben verkleind? Voor de gezelligheid! “Als je in een grote zaal zit en er zitten maar twee of drie mensen, ja, dan is dat kil hé.”

Cinema op maat

©Lisa De Schrijver – Cinema Central heeft maar twee zalen waarvan de benedenzaal de grootste is.

Naast de gewone programmatie, worden er ook soms onbekende films gespeeld. Meestal van Vlaams filmhuis of zelfs gewoon van mensen in de buurt. “De regisseurs vinden dat sympathiek dat we hun films spelen. Ik vind dat we dat ook moeten doen. In de filmwereld moeten we elkaar wat helpen.” Paul vertelt mij dat hij hoopt ooit de minister van Cultuur nog eens tegen te komen. Zichtbaar opgejaagd verklaart hij dat het schandalig is dat de minister zoveel geld steekt in het maken van films die dan toch nergens te zien zijn. De grotere cinema’s spelen ze niet, en de kleinere willen wel maar verdienen er niet genoeg aan. Sven Gatz, mocht u dit artikel lezen, Paul Raes heeft de perfecte oplossing voor uw probleem gevonden: “Geef ons wat subsidies zodat wij die films kunnen spelen. Wij worden er beter van, want we krijgen iets, en die films zouden tenminste nog gezien worden.”

Terwijl ik daar zit, zijn de twee films die vanavond draaien afgelopen. Uit de eerste zaal komt één persoon buiten gewandeld, terwijl de twee bezoekers uit zaal twee langs de trap naar het café toe komen gestapt. Momenteel hebben ze hier 8000 bezoekers per jaar. Niet veel dus. Dat is niet enkel een probleem voor de kassa, maar ook om bepaalde films te mogen spelen. Zo mag Cinema Central de film Niet Schieten van Stijn Coninx niet draaien. “Die film gaat over de Bende van Nijvel, die hier dichtbij in Aalst heeft toegeslagen, dus ik denk dat er naar die film wel veel volk zou komen kijken. Maar omdat ze er niet genoeg winst uit kunnen halen hier, mag ik hem niet spelen. Heel spijtig vind ik dat.”

©Lisa De Schrijver – Paul Raes durft al eens een film spelen die niet op de programmatie staat.

Als ik weet dat er nog een bezoeker onderweg is, start ik de film wel vijf minuten laterPaul Raes

Dat hij eerst aan zijn klanten denkt en dan pas aan zijn zaak blijkt heel duidelijk uit wat hij mij daarna vertelt. Met zijn blik gericht op de grond, zegt hij op een triestige toon dat hij het zeer spijtig vindt voor zijn klanten dat zij nu deze film niet kunnen zien. Hij heeft namelijk vooral een ouder cliënteel, dat zelf niet met de auto rijdt of zich gewoon niet zover wilt verplaatsen.

Dat hij een groot hart heeft voor zijn klanten merk je in alles wat hij doet. Zo past hij zelf de speeltijden van de films aan aan de noden van zijn bezoekers. Een echte cinema op maat dus. Gaat een bezoeker vijf minuten later zijn? Dan wachten ze met het spelen van de film. Wil er iemand in de zaal even gaan roken? Dan zetten ze de film gewoon op pauze. Van een echte huiselijke sfeer gesproken; het is hier alsof je gewoon gezellig in je woonkamer naar tv kijkt.

Volgens Paul begrijpen de grotere zalen niet dat zij hier ‘cinema kunnen blijven spelen’ met de geringe ontvangsten die ze hebben. Wat zorgt er dan voor dat cinema’s zoals deze wel kunnen blijven bestaan, wanneer andere failliet gaan?
“Wie het kan bolwerken, zal blijven bestaan. Menselijk blijven en een band opbouwen met je klanten, dat is de sleutel naar succes.” Het grootste probleem zijn de innovaties. Deze zaal investeerde in 3D en kon hiervan al een beetje recupereren. Maar wat de toekomst brengt is moeilijk te voorspellen. “Wat als dat morgen al versleten is? Wat als er weer iets nieuws komt? Wie gaat dat dan betalen? Ja, dat is iets anders …”

©Lisa De Schrijver – Snoep wordt gewoon aan de bar verkocht in Studio Rubens

Ik was nog maar zes jaar toen ik hier al snoep stond te verkopen achter de barJohan Hollants

De laatste bioscoop op mijn lijstje is Studio Rubens in Zwijndrecht. Johan Hollants laat me binnen en begroet me vriendelijk. Hij is de derde generatie die in deze cinema werkt. Ondanks zijn diploma industrieel ingenieur, vond hij zijn droomjob hier in het familiebedrijf. Hij groeide hier op en leerde zo de stiel snel kennen. “Deze job is mij met de paplepel ingegeven. Ik was nog maar zes jaar toen ik hier al snoep stond te verkopen achter de bar.”
Deze cinema telt maar één zaal. Vroeger was dat voor Hollants een beperking, maar sinds de digitalisering is het nu net een voordeel. “In de vakantie heb ik nu vijf verschillende films op een dag staan, terwijl dat er vroeger maximum twee of drie waren.” Een extra zaal bijbouwen, daar denkt hij zelfs niet aan. Dat brengt volgens hem enkel extra kosten, extra opkuiswerk en extra personeel met zich mee. “Ik hou van mijn cinema zoals hij nu is: gezellig, compact en niet druk.” Net als de andere cinemahouders heeft ook hij een hechte band met zijn klanten. “Mijn vaste bezoekers, die pik ik er zo uit. Een uitgebreid praatje slaan aan de toog? Dat moet kunnen! Tenslotte zijn we nog altijd mensen, en mensen hebben nood aan sociaal contact. Moesten ze geen interactie willen, ze zouden niet naar mijn cinema komen. Ze zouden thuis in hun zetel blijven zitten en daar naar een film kijken.” Ver in de toekomst kijken is aan hem niet besteed. Hij vertelt mij dat hij nooit verder dan vijf of tien jaar kijkt. Of de kleinere cinema zal blijven bestaan? Dat zal volgens hem afhangen van de technologie in de woonkamer. “Als de filmmaatschappijen beslissen om de films na twee of drie weken al te streamen, dan kunnen we het vergeten. Dan is het gedaan met de cinema.”

Wanneer ik ook hier buiten kom is het mij duidelijk dat deze kleintjes in de cinemawereld veel met elkaar gemeen hebben: een trouw cliënteel, een sterke band met de medewerkers en een popcorn-emmer vol passie voor film.