Morgen zeg ik het

| Dit artikel past in een opdracht voor studenten uit het tweede jaar met als onderwerp creatief schrijven.

auto in de regen

Afbeelding van Igor Schubin via Pixabay

 

Ik kijk op de klok in de auto: 16u30. Nog een half uurtje te gaan dus. Ik draai de auto om weer eens toertje langs het water te rijden. Het voertuig is na al die uren ondertussen dan wel goed opgewarmd, mijn stemming komt meer overeen met de temperatuur buiten. Langzaam kom ik tot stilstand. 

Met het stuur nog in mijn handen, zie ik ze. Losse haren dansen over de schouders van mijn dochter, terwijl ze lachend met haar heupen zwiert voor de tv. Mijn zoon zit op de zetel met een wit oplichtend gezicht, vingers die razendsnel over het scherm vliegen en een tong die af en toe eens naar buiten komt piepen. Waar is de tijd van vuile luiers en melkflesjes? Mijn moeder vertelde zo vaak over vroeger dat het mijn strot uitkwam. Nu wil ik niets liever dan haar jeugdverhalen nog eens aanhoren.

De deur van de keuken gaat open. Met een pak wortels en een rasp in de hand komt mijn vrouw binnengewandeld. Ze aanschouwt het tafereel in de woonkamer. Haar mondhoeken krullen eens omhoog en ze begint aan de wortels. Ze heeft geen idee. Geen idee van mijn geheimen, mijn zwartgalligheid en kilte.

Het is een gebaar van compassie, vind ik, iemand behouden van de waarheid. Al zal een ander het daar niet mee eens zijn. Een leugen is en blijft een leugen en liegen is een onvergeeflijke daad. Maar is geven om iemand niet meer waard dan de waarheid, iemand beschermen tot het niet meer anders kan, totdat je erbij neervalt?

Haar handen bewegen soepel met het stuk metaal over de groenten. Op haar wangen vormen zich lichte blosjes en op haar voorhoofd is geen rimpel te zien. Ze straalt jong, fraai, licht. Ik straal ellende, duister, sterfelijkheid. Iedere dag drijven we verder van elkaar weg. Zo nu en dan lijkt het alsof ze me doorheeft. Haar groene ogen kijken me dan sprekend aan: “Vertel het me. Hoe erg het ook mag zijn, ik zal je begrijpen.” Wanneer ik knipper met mijn ogen, zijn haar groene kijkers weer stil, hun vorige vraag terug ingeslikt.

En dus zeg ik het niet, al zes maand niet.

Iedere ochtend stap ik in de auto, gekleed in een pak. ’s Avonds kom ik uitgeput terug. Met mijn stropdas nog mooi geknoopt en mijn haar strak in de gel open ik de deur. “Hier ben ik weer!”, galmt mijn stem dan door de hal. Mijn kinderen lopen naar me toe en ik neem ze in mijn armen, mijn vrouw groet me lachend.

Morgen zeg ik het. Deze keer echt. Morgen, maar nu nog even niet.

Ooit komt er een dag dat het donker niet enkel mij treft, maar ook mijn gezin te pakken krijgt. Ooit. Maar morgen stap ik toch terug de auto in, op weg naar mijn niet meer bestaande job, rondjes rijdend wachtend op het einde van de dag.