Het volk danst

| Dit artikel past in een opdracht voor studenten uit het derde jaar met als onderwerp beeldjournalistiek.

De sympathieke strijd van de volksdansers

Mijn grootvader smeet er zich ooit voor de voeten van mijn grootmoeder, maar voor mij leek het vroeger niet veel meer dan een charmant oud klompengebeuren. Enkele decennia geleden zorgde de opkomst van jazzdans, hip hop en breakdance voor een sterke daling in het aantal leden van volksdansgroepen. Nu blijven er nog maar enkele verenigingen over. Dapper voeren de dansers een stoffige strijd voor het behoud van hun folklore.

Toon en Tine

“Verdorie er staan veel auto’s,” merkt mijn grootvader op als we op de parking rijden, “zouden we vandaag met meer dan zeven zijn?” Het antwoord is (jammer genoeg) neen. De pater familias van de De Bruyntjes heeft bijna nog de oorsprong van het volksdansen meegemaakt – of zeker de gloriejaren. Hij volksdanst toch al tweeënzestig jaar. In dat ene mensenleven veranderde hij noodgedwongen meermaals van vereniging. De groepen der volksche kunst verdwenen sneller dan de haren op zijn schedel.

Vandaag is het in de grote zaal te doen. In de kleine zaal zit een praatkring van ex-liefhebbers van al wat gegist of gedestilleerd is. In de grote zaal springt het schamele aantal leden nog harder in het oog. Het behangpapier treurt, de stopcontacten zijn vlekkeloos verpakt in spinnenweb. Even een soundcheck. De muziek komt deze keer niet van een gesnorde accordeonist, maar het is een playlist die door een box galmt. Een waslijst aan volksmuziek die zonder enige moeite molens kan laten draaien en mandenvlechters in extase brengt. De repetitie komt op gang.

Fonkeloogjes

“Met wat zullen we beginnen?” “Boerenkermis?” “Ja dat is rustig en daarna geven we er een lap op!” Ze gaan er voor zoals een kind voor de vijfentwintig meter schoolslag. Voluit, af en toe een adempauze, fonkeloogjes en een fiere ongegeneerde glimlach. Het geluk dat je ziet bij bakkers die een perfecte croissant rollen, bij oma’s die de laatste stukken wintersjaal aan elkaar breien, bij priesters die tijdens de homilie een grappig mopje maken, maar ook bij volksdansers die de ‘horlepiep’ of de ‘oogstkoekenkermis’ tot een goed einde brengen.

Wiene, een meisje van dertien, danst mee. Duidelijk een verjonging in het volksdansteam. Ze deed mee met de jeugd, maar mag ook al een halve repetitie met de volwassenen meehuppelen. Ze doet het al vijf jaar en vindt het de leukste danssoort die er bestaat. Met een verscholen glimlach en schouders die nooit hun stem verheffen, zit ze zwijgend te wachten tot het digitaal draaiorgel in actie treedt. Na twintig minuten is het tijd voor een nieuw dansje. Voor alle duidelijkheid: er is geen underground scene die wekelijks nieuwe volksdansen aan elkaar vlecht, maar het is voor volksdansgroep Toon en Tine een nieuw swingnummer. Swingen als in huppelpas, balans, links, rechts, geef elkaar een hand en draai.

Appelmoes

“We zijn oneven deze avond,” zegt Thomas Ceupens die al de dansen begeleidt, “maar we zijn al getraind om te dansen met een extra ingebeelde persoon.” Ingebeelde Ingeborg danst ook vanavond vlotjes alle nummers mee. Ik zit hier achter mijn laptopje wat te tokkelen en voel me haast schuldig dat ik niet zelf de plaats van Ingeborg voor mijn rekening neem. Het plezier dat de volhouders hebben, brengt me haast in vervoering. Ga ik volgende week niet gewoon mee komen dansen? Het kruipt echt onder je huid. Een stoffig virus dat, met een draai naar hier en een draai naar daar, langzaam het volksdansbloed door m’n aderen laat stromen.

Tussen ‘De Valse Zeeman’ en ‘De Loere’ bespreken ze hoeveel slechte toetsen van wereldoriëntatie ze hebben verbeterd, hoe de rondleiding in de molen ging en hoe het met de kinderen gaat. Een volksdansgroep die vroeger vijftig leden telde, blijft nu met zeven mensen over. Zeven stralende mensen die het trieste zaaltje iedere woensdag opvrolijken met folklore, zoet en warm als appelmoes.

Reintje Vos

Volksdans is niet dood. (Allemaal samen: ‘Hoezee!’) Bij een andere volksdansgroep die ik bezoek, staat de parking haast vol. Als je binnentreedt, ruik je de woonkamer van een oma. Kijk je rond je, dan wordt die geur alleen maar bevestigd. Maar in tegenstelling tot de woonkamer van grootmoesje bruist het hier. Zes meisjes met een cheerleaderleeftijd geven het beste van zichzelf op de noten van de klarinettist en de man op de accordeon. Een voor een stromen de volksdansers toe, tot ze op een gegeven moment met een twintigtal zijn.

Iedere hoek van de kamer is versierd met een stuk Vlaamse geschiedenis. Een metalen bordje hier, een uit hout gesneden plaat daar. Het enige wat nieuw aanvoelt, is het bordje van de nooduitgang. Aan de muur hangen bloemenbogen die iets weg hebben van een diadeem, gedragen door een vijfjarig meisje dat haar eerste communie doet. Rode en witte bloemen met daartussen groene blaadjes. Ze worden gebruikt voor een dans, wordt me verteld.

“Wat kom jij hier doen? Geen zin om zelf mee te volksdansen?” Minstens vijf keer krijg ik die vraag. “Jouw grootvader zou nochtans trots zijn.” Klopt.

Kruisboogschieten en gaaibollen

Iedere zaterdag komen ze hier samen in hun folkloreclubhuis. Dit gebouw heeft meer bestemmingen gehad dan de polyvalente zaal uit het Sint-Theresiacollege. Eerst was het een schapenstal – eerlijk gezegd heeft het clubhuis daar nog steeds het meest van weg. Daarna kwam er een restaurant, maar toen de laatste afwasjongen naar huis moest, werd het omgetoverd in een dancing. Daar swingden ze de pannen van het dak, maar toen de zaal vuur vatte, hield ook disco De Schaper er mee op. Het is in 1980, hoewel ze al langer bestaan, dat volksdansgroep Reintje Vos hier voor het eerst repeteerde. Ze maakten er hun tweede thuis van.

De ene volksdans is nog mooier, nog sneller of nog vrolijker dan de andere. Zweet parelt van hun hoofden na de Carillon van Duinkerke. “Luc dacht: hoe sneller ik speel op mijn accordeon hoe sneller ik er van af ben zeker?” “Speelde ik te snel?” “Amai nog nie, als we zo verder doen, Luc, dan zijn we binnen een halfuurtje al klaar.” Lachen. “Viel er nu een spin op mijn hoofd?” “Dat is de charme van het volksdansen.” Hier wordt echt veel gelachen.

“Het fijne is dat volksdans zo laagdrempelig is”, vertelt de trotse dansleidster Carina Van De Velde. “Iedereen mag en kan meedoen.” Ze volksdanst zelf al eenenveertig jaar en kan zich een wereld zonder haar geliefde volksdansen niet voorstellen. “Het is een stuk van onze cultuur en dat mag niet verloren gaan. Het is net zoals kruisboogschieten of gaaibollen: onze grootouders hebben dat altijd gedaan. Maar als wij stoppen, dan zal het voorgoed verdwijnen.”

Geheime ingrediënt

Het contrast met mijn vorige repetitie kan niet groter zijn. Drie keer zoveel leden, drie keer zoveel muzikanten en een derde van de gemiddelde leeftijd. Hoewel het toch een behoorlijk diverse groep is. Van meisjes van vijftien tot heren van zestig.

Een, twee, drie, samen, rechts, links, samen, samen. “Het is helemaal normaal dat jouw voeten in de knoop zitten meid!” Ze oefenen en oefenen met als geheime ingrediënt vriendschap, goesting en bakken talent. Mijn mondhoeken kan ik niet bedwingen, ik word er hoe dan ook vrolijk van. Ik applaudisseer. “Kijk eens aan, we hebben publiek” “Publiek dat wilt mee dansen toevallig?” “Volgende week misschien.” Heb ik nu net toegezegd?

De toekomst is hier verzekerd. Voor de dansers was dit reeds duidelijk van bij het begin, maar toen er een accordeonist met blonde krullenbol en slechts twintig lentes kwam binnenrollen, werd ook het voortbestaan van de live volksmuziek hier een feit. “Het losse en vrije karakter van de deze muziek is waar ik zo van hou. Speel ik een noot verkeerd, dan dansen ze zorgeloos verder.” Met een kuiltje in de wangen en glinsterende kwajongensogen geniet de volksmuzikant van de dansende bende voor hem.

Redders van folkore

“Nu treden we ieder jaar tussen de vijf en de tien keer op. Vroeger, toen het nog hip was, was dat zo’n vijftig keer”, vertelt Carina, dansleidster. Optredens worden altijd uitgevoerd in traditionele klederdracht, maar bij repetities is het in eigen kledij. Een meisje met een frisse bloemenjurk en gouden schoenen trekt mijn aandacht. Ze kan zo op een catwalk lopen, maar koos ervoor om hier in Kemzeke te komen volksdansen. Ze verkiest het walsen boven het walken. Ik moet een van de vooroordelen ontkrachten: eigenlijk zijn het allemaal mooie mensen. Hoewel, ander vooroordeel bevestigd: de kalender aan de muur is er wel nog steeds een van de ‘vereniging der levende molens’.

Na het dansen, drinken ze een glas of twee. Is dat een derde of een vierde dan mag dat ook altijd. Mijn grootvader verloor er zestig jaar geleden zijn hart aan, en ook ik kan niet zeggen dat het me koud laat. De liefde voor het volksdansen zit diep in mijn DNA, vrees ik. Zonder volksdans had mijn pepe nooit op zijn knie gaan zitten voor mijn meme, was mijn vader er nooit geweest, was ook ik nooit geboren en bleef dit stuk ongeschreven. Dankjewel volksdans, dankjewel.